De Achterhoek

Natuurlijk Achterhoek

Wat hoort bij de Achterhoek?

De Achterhoek ligt in het zuidoosten van de provincie Gelderland. Een prachtig en gevarieerd landschappelijk gebied. In het zuiden en zuidoosten grenst het aan Duitsland, in het noorden aan de Overijsselse streken Twente en Salland. In het westen is de rivier de IJssel de grens. In het zuidwesten wordt meestal de Oude IJssel als grens gezien.

Maar de meningen verschillen hier sterk over. Dat komt omdat je de Achterhoek vanuit verschillende standpunten kunt definiëren: geografisch, toeristisch en bestuurlijk. Geografisch gezien zouden de Oude IJssel en de IJssel de grens vormen. Vanuit toeristisch oogpunt ligt dat veel ruimer en worden bijvoorbeeld Doesburg, Zutphen en een deel van de Liemers met het bosgebied Montferland erbij getrokken.

Bestuurlijk wisselt de omvang van de Achterhoek zo nu en dan. Denk alleen al aan de gemeentelijke herindeling en de wisselingen in het samenwerkingsverband Regio Achterhoek. En nu is de Achterhoek Board weer actueel: de jonge burgemeesters van Doetinchem en Winterswijk nemen het initiatief voor samenwerking die moet leiden tot meer eenheid en slagkracht in de regio. De Board, waarin naast overheidsbestuurders ook ondernemers en vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties zitten, moet voorstellen aandragen waar de hele Achterhoek baat bij heeft.

In zijn boek Oerend Mooie Achterhoek zegt oer-Achterhoeker Bennie Jolink dat hij een zwak voor Montferland heeft. Hij noemt de bossen en de eeuwenoude molen in Zeddam, het kasteel en het patersklooster in ’s-Heerenberg. De purist zal zeggen dat dit de Liemers is…

Kortom, grenzen hoeven niet zo vast te staan als er zoveel moois te zien is. De natuur stopt immers niet bij de grens! Natuurlijk Achterhoek houdt het dus bij de Achterhoek in de breedste zin om zoveel mogelijk pareltjes in het landschap vast te leggen. Daarom kiest Jeroen de Jong ervoor om te fotograferen in de gemeenten Aalten, Berkelland, Bronckhorst, Doesburg, Doetinchem, Lochem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek, Winterswijk en Zutphen.

De Achterhoek wordt soms ook nog wel eens de Graafschap genoemd, naar het vroegere graafschap Zutphen. Bedoeld wordt het gebied tussen de gemeenten Zutphen, Lochem, Berkelland en Bronckhorst. Nogmaals, grenzen zijn niet zo zwart-wit. We schieten gewoon mooie plaatjes in onze prachtige Achterhoek!

Discussie

De Achterhoek wordt soms ook nog wel eens de Graafschap genoemd, naar het vroegere graafschap Zutphen. Bedoeld wordt het gebied tussen de gemeenten Zutphen, Lochem, Berkelland en Bronckhorst. Maar daar valt Winterswijk dus buiten, dat tot het graafschap Lohn behoorde.

Vaak wordt aangenomen dat per plaats per se een keuze moet worden gemaakt tussen Achterhoek of  Liemers, om te bepalen waar deze onder valt. Maar doordat het bij Achterhoek en Liemers om totaal verschillende begrippen gaat, hoeft het een het ander niet uit te sluiten. Achterhoek is een geografisch niet precies afgebakend begrip, waar buitenstaanders soms zelfs Twente bij rekenen. Liemers daarentegen heeft wel historische grenzen, maar die zijn vaker veranderd en stroken niet meer met onze huidige kaarten. Zo behoort ook het in Duitsland gelegen Emmerik nog tot de historische Liemers.

Zoals je kunt zeggen dat een plaats zowel Gelders als Nederlands is, zo zou je dit ook kunnen stellen over plaatsen in het ’overlapgebied’ met o.a. Wehl, Ulft, Gendringen en ’s-Heerenberg, dat ze zowel Liemers als Achterhoeks zijn. Feit is wel dat de plaatsen in de echte kern-Liemers (Zevenaar, Duiven, Westervoort) buiten bestuurskringen doorgaans niet als Achterhoeks worden aangeduid. De globale verdeling dat de rivieren en de landsgrens de Liemers omsluiten, blijft bij dit alles een goede vuistregel. Strikt genomen valt Doesburg zo uiteen in een deel Achterhoek en een deel Liemers, met de Oude IJssel als grens.    

Nogmaals, grenzen zijn niet zo zwart-wit. We schieten gewoon mooie plaatjes in onze prachtige Achterhoek!

350 jaar Achterhoek

De Achterhoek viert in 2018 het feit dat de regio 350 jaar deze naam draagt. Dat is te danken aan de predikant en dichter Willem Sluiter (1627-1673). Hij is bekend om zijn lofzang op het eenvoudige plattelandsleven en gaf de streek zijn naam in het gedicht Eensaem Huis- en Winterlicht, dat maar liefst 450 coupletten van vier regels omvat. De naam ‘Achterhoek’ is terug te vinden in de twee meest bekende regels:
Waer iemand duisent vreugden soek, mijn vreugt is in dees’ achter-hoek.

Hij doelde daarmee op het gedeelte van de streek waar hij werd geboren en woonde, de omgeving van de hoek Neede en Eibergen. Hoewel het ook mogelijk is dat hij daarmee zijn favoriete hoekje bij de haard bedoelde. Het gedicht werd in 1668 voor het eerst gepubliceerd. Lees hier meer over het thema ‘van achterhoek tot Achterhoek’.

Een boekje over de geschiedenis van het woord Achterhoek verschijnt in 2018. Het is een van de activiteiten rond de viering van 350 jaar Achterhoek. Ook komen er een symposium over de Achterhoek en Sluiter én een project om kinderen enthousiast te maken over streek en dichter. De gemeente Berkelland, Eibergen en museum De Scheper zijn in eerste instantie de plaatsen waar de activiteiten rond het jubileum plaatshebben.

1668, 1831 en 1850

In 1668 schreef Sluiter dus voor het eerst over de ‘achter-hoek’. Rond 1850 komt in boeken al vaker de aanduiding Achterhoek voor met betrekking tot de héle streek. Schoolmeester Bernard Stegeman (1877-1952) uit Winterswijk schreef: ’t Gif maor enen Achterhook / Den Gelderschen, den echten.

Het geografische begrip Achterhoek, zoals wij dat nu kennen, zou pas vanaf 1850 ontstaan zijn. Bennie te Vaarwerk, archivaris bij de Provincie Gelderland, kwam echter al een oudere vermelding tegen, namelijk in 1831 in een brief van de Gelderse aartspriester Terwindt (pastoor in Zeddam) aan de Eibergse pastoor. Daarin verzocht hij hem om zijn brieven voortaan ‘over Doetinchem met den voerman Rademaker’ mee te geven, want deze reed ‘alle weeken door den Achterhoek’. Lees hier meer over dit onderwerp.

Het ontstaan van het landschap

De combinatie van natuur en cultuur heeft het Achterhoekse landschap gevormd. Het landschap hier staat in het algemeen bekend als kleinschalig coulissenlandschap. Dit is een afwisseling tussen besloten en meer open landschappen. De beplanting tussen de percelen bestaat vooral uit houtwallen en heggen. Dit levert mooie doorkijkjes op. Maar er is veel meer. In de Achterhoek komen ook kampen, rivierduinen, stuwwallen, komgronden en uiterwaarden voor.

De basis van het Achterhoekse landschap is gevormd in de voorlaatste ijstijd, het Saalien, zo’n 180.000 tot 120.000 jaar geleden. Het was een zwak golvend landschap met beekjes en riviertjes die van oost naar west stromen. Ze kregen hun water vooral uit het aangrenzende Duitsland, dat aanmerkelijk hoger ligt dan de Achterhoek. Ze voedden een lager gelegen strook van moerasbos en veen aan de westzijde van de Achterhoek. Wel waren cq zijn er enkele hoger gelegen delen, zoals bij Aalten, Neede en Lochem. En natuurlijk ’t Montferland.

Ook de laatste ijstijd, het Weichselien, heeft tot ongeveer 10.000 jaar voor Chr. haar stempel gedrukt op de Achterhoek. Het landijs bereikte Nederland weliswaar niet, maar de sterke poolwinden en het Arctisch klimaat zorgden voor het opwaaien van enorme hoeveelheden zand, dat door de rivieren hier neergelegd was. Hierdoor ontstonden de rivierduinen (zoals de Paasberg bij Terborg) en dekzandruggen en –kopjes, zoals de esgronden waarop Hengelo en Zelhem liggen. Ook dit heeft het patroon van bodemhoogte en –wervelingen (geomorfologie) sterk beïnvloed. Dat alles is sterk van invloed geweest op de eerste bewoningsgeschiedenis. De bewoners vestigden zich veelal op deze duinen en hogere ruggen.

Al in de 19e eeuw, maar vooral in de eerste helft van de 20ste eeuw heeft een grootschalige ontginning van de woeste gronden (veelal heide en hoogveen) naar landbouwgrond plaatsgevonden. De afwatering verbeterde door de aanleg van nieuwe sloten. Daarnaast werd het wegennet uitgebreid en verbeterd en zandwegen werden grotendeels verhard. En zo veranderde het landschap ingrijpend naar hoe we het nu kennen.

Beleef de ijstijd bij Min40Celsius

Waar ooit in de zee haaien en koralen leefden. En even later op de mammoetsteppe de wolharige mammoet en wolharige neushoorn graasden of waar hyena’s en neanderthalers op zoek waren naar voedsel. Daar is nu de Achterhoek. Een landschap dat honderdduizenden jaren geleden gevormd is door het verschuiven van aardplaten, rivieren, landijs en zandstormen. Alles over de geologie, archeologie, bodemvondsten, het klimaat en landschap van de Achterhoek is te zien in bezoekerscentrum Min40Celsius aan de Hoofdstraat 14 in Varsselder. De naam van dit regionale museum verwijst naar de ijstijd, de periode waarin de Achterhoek is gevormd.

Bij Min40Celsius beleef je de ijstijd aan de hand van tientallen fossielen, haaientanden, het skelet van een wolharige neushoorn of de kop van een mammoet. Ook is er aandacht voor het Azewijnse Broek, de zandwinning die er vlakbij ligt en waar nieuwe natuur ontstaat. Een groot deel van de collectie van Min40Celsius is gevonden op zandwinlocaties de Omsteg en het Azewijnse Broek bij Gendringen. De verzameling is aangevuld met regionale vondsten bij zandwinningen en steengroeven in de hele regio (Winterswijk, Braamt, Montferland, Groenlo) en in de Duitse grensstreek.

Initiatiefnemer is René van Uum, landmeter van beroep, maar bovenal verzamelaar en al zijn hele leven gefascineerd door fossielen. Zijn verzameling, aangevuld met die van collega-verzamelaars, werd zo groot dat hij in 2014 zijn collectie bij Min40Celsius onderbracht. Van Uum probeert ook kinderen enthousiast te maken. Ze kunnen in de expositieruimte zelf graven naar mammoetbotten of ervaren wat een ijswal met het landschap doet. Lesprogramma’s voor scholen zijn ontwikkeld samen met het Gelders Erfgoed. Kinderen komen zo spelenderwijs in aanraking met het ontstaan van de Achterhoek.

Regelmatig organiseren René van Uum en de vrijwilligers van Min40Celsius zoekexcursies naar het Azewijnse Broek. Ook geeft de bevlogen fossielenverzamelaar lezingen over het ontstaan van het landschap in de Achterhoek. Hier vind je de samenvatting van zo’n lezing. Een interessant en duidelijk verhaal.

Beschrijving van het landschap

Op zoek naar een mooie beschrijving van het landschap komen we uit bij de auteurs van het boek ‘Landschappelijk Ondernemen in de Achterhoek’. Dat zijn Anne Oosterbaan, destijds in dienst van Alterra, onderdeel van Wageningen UR. En André Kaminski, voorzitter van de Stichting Achterhoek weer Mooi (StAM). Het prachtig verzorgde boek is uitgegeven in 2013. Met hun toestemming is de volgende tekst met illustraties uit het boek overgenomen: Van verscheidenheid aan landschapstypen tot en met rabattenbossen. Waarvoor onze dank!

Verscheidenheid aan landschapstypen

Het oostelijke deel van de Achterhoek bestaat uit het kampen- of hoevelandschap en heide- en veenontginningen. In het noordwestelijk deel zijn kastelen en landgoederen te vinden. Nabij de (Oude) IJssel liggen komgronden, terrassen en rivierduinlandschap. De stuwwal van Montferland springt er letterlijk en figuurlijk bovenuit. Daar komen typische landschapselementen voor als bronbossen en zandbulten. We vinden er zwerfkeien en klapperstenen. Ook bijzonder zijn de Hooge Heide, op de stuwwal bij Stokkum en het bremveld bij Zeddam die via een ‘reptielencorridor’ inmiddels met elkaar verbonden zijn. Reptielen als gladde slang en hagedissen kunnen zich hierdoor verspreiden.

Uit de oppervlakteverdeling blijkt dat het heideontginningslandschap en het kampenlandschap beide ongeveer een derde deel van de totale oppervlakte van de Achterhoek innemen. Het landgoederenlandschap beslaat bijna het tiende deel. De overige landschapstypen nemen alle een relatief klein deel in, maar dragen zeker bij aan de variatie aan landschapsbeelden.
Twee gebieden, De Graafschap en Winterswijk, hebben de titel ‘Nationaal Landschap’. De Graafschap wordt gekenmerkt door kleinschaligheid, door buitenplaatsen en een bijzondere waterhuishouding. De omgeving Winterswijk kent een kleinschalige openheid en veel reliëf in het landschap van de esgronden.

Natuurlijk Achterhoek

Verdeling landschapstypen Achterhoek © StAM

Natuur

Ongeveer tien procent van het grondgebied van de Achterhoek bestaat uit natuurterreinen. De regio wordt gekenmerkt door een grote variatie aan natuur. De volgende natuurtypen zijn hier te vinden:

-bossen: droge bossen (zoals Montferland), hakhoutbossen, bronbossen en beekbegeleidende bossen (Bekendelle)
-hoogveen (zoals Korenburger- en Wooldse Veen)
-heide (zoals Needse Achterveld, Groote- en Grijze Veld)
-blauwgraslanden (Stelkampsveld, Koolmansdijk), kalkgrasland (Willinks Weust) en andere halfnatuurlijke graslanden
-stuifzand (’t Hengelse Zand)
-rivierduinen (langs de Oude IJssel)
-beken (Baakse Beek, Groenlose- en Boven-Slinge)
-oeverwallen met stroomdalvegetaties

De natuur van de Achterhoek © StAM

Natura 2000 en A-locaties

In de Achterhoek zijn zes Natura 2000-gebieden aangewezen: Teeselinkven, Stelkampsveld, Korenburgerveen, Bekendelle, Wooldse Veen en Willinks Weust. Dit zijn karakteristieke natuurgebieden met een bijzonder landschap en een hoog gewaardeerde biodiversiteit. Deze terreinen scoren wat natuurwaarde betreft in Europees verband hoog. Ons land heeft dan ook een internationale verantwoordelijkheid om de diversiteit van planten, dieren en leefgebieden in stand te houden. Hierbij wordt getracht evenwicht te bewaren met de maatschappelijke en economische activiteiten.

In de jaren negentig zijn de meest natuurlijke voorbeelden van alle in Nederland voorkomende bostypen geselecteerd. Een vijftiental van deze zogenaamde A-locaties liggen in de Achterhoek: in de Graafschap, het Montferland, bij Winterswijk en verspreid daartussen. Het gaat vooral om oudere bossen met een hoge natuurwaarde. Het beleid is gericht op de ontwikkeling naar een zo representatief mogelijk voorbeeld van natuurlijk bos. In A-locatie-bossen is naast oude en dikke bomen ook vaak veel dood hout aanwezig.

De bossen

Het grootste deel van de Achterhoekse natuurgebieden bestaat uit bos. Verreweg de meeste bossen in Nederland en ook in de Achterhoek zijn aangeplant. Soms op wat rijkere gronden, bijvoorbeeld op de landgoederen. Maar vaker op de armere, zandige gronden die voor de landbouw minder geschikt waren. Nadat er geen plaggen meer gestoken werden en de schapen op de heide verdwenen waren, zijn veel van de laatste heidestukken overgegaan in bos op arme grond. Dit bos is spontaan ontstaan en heeft daardoor een ongeordend beeld. Dat geeft ons meer een gevoel van ‘puur natuur’. Ook langs de rivieren en op andere natte plekken zijn door spontane ontwikkeling bossen ontstaan.

Veel van de Achterhoekse bossen zijn zogenoemde rabattenbossen. Bij de aanleg van deze bossen zijn rabattenstelsels gegraven. Hierdoor ontstonden lagere delen (sloten) en daartussen hogere delen (ruggen). Door deze werkwijze was het mogelijk om ook in lagere gebieden op de ruggen zomereiken en zelfs dennen aan te planten. Door dit slotenstelsel was het ook mogelijk om enige grip te krijgen op de waterhuishouding ter plekke. Daardoor werden de woeste gronden geschikt voor de hoogwaardige houtproductie. in de natste delen zie je ook wel veel zwarte els op deze rabattenruggen. De afgelopen eeuw is de Achterhoek echter verdroogd en is ook de grondwaterstand in deze rabattenbossen sterk gedaald.

Landschappelijke elementen

De houtwal en de houtsingel, de solitaire boom en laanbomen, knotbomen, de elzensingel, de struweelhaag, de poel, de hoogstamboomgaard, het vogelbosje en geriefhoutbosje, en het boerenerf. Het zijn de karakteristieke elementen die het landschap in de Achterhoek zijn charme geven. Ze zijn mooi beschreven door de Stichting Landschapsbeheer Gelderland in opdracht van de gemeente Oude IJsselstreek.

Houtwal en houtsingel

Een houtsingel is een erfafscheiding, vaak ook tussen weilanden, die bestaat uit bomen zoals eik, ruwe berk, lijsterbes en/of struiken zoals meidoorn en hazelaar. Een houtsingel is een lijnvormig element van 4 tot maximaal 20 meter breed. Houtsingels lijken veel op houtwallen. Bij een houtwal is er sprake van een opgeworpen wal, waar de beplanting op staat. Langs houtwallen vind je vaak aan één of beide zijden greppels. Deze werden gegraven om met de vrijkomende grond de wal aan te leggen. De wallen waren tussen de 50 en 100 cm hoog.
De oorspronkelijke functie van houtwal en houtsingel was om vee en wild te keren en als eigendomsgrens. Ook leverden ze vruchten, brandhout en geriefhout op voor gereedschapsstelen en palen. De meeste houtsingels en –wallen worden als hakhout beheerd en na 10 à 12 jaar afgezaagd.
Deze elementen zijn van bijzondere ecologische waarde voor vogels, insecten en kleine zoogdieren die zich er langs verplaatsen, nestelen en voedsel zoeken. Ook groeien er allerlei varens, mossen en paddenstoelen. Door de komst van het prikkeldraad, de ruilverkavelingen en schaalvergroting zijn vele kilometers van deze elementen verdwenen.

Solitaire boom en laanbomen

Een solitaire boom of bomengroep werd regelmatig in het weiland aangeplant als schaduwboom voor het vee of om het landschappelijke beeld compleet te maken. Ook werd een solitaire boom regelmatig op de hoek van het perceel aangeplant als afbakening (grensboom). Ze vervulde soms ook een plaats in de rechtspraak (gerechtsboom), in de religie (kruisboom) of diende als herkenningspunt langs rivieren. Verder vindt men ook regelmatig solitaire bomen rondom het huis. Veel boomsoorten hadden naast de houtproductie een andere functie. Zo werd een walnoot in de buurt van de keuken aangeplant, omdat de walnoot muggen en vliegen weert. Daarnaast zorgde de boom voor schaduw in de keuken. Een kastanje- of lindeboom geeft menig erf allure. Een grote eikenboom naast het huis functioneerde goed als bliksemafleider.
Laanbomen werden langs wegen aangeplant. Niet alleen voor verfraaiing, maar vooral om schaduw te geven aan mens en paard. Meestal werd één soort langs een weg geplant. Bomen zijn een natuurlijk eldorado voor veel dieren. Ze bieden voedsel (noten, bladeren, stuifmeel), nestgelegenheid en beschutting.

Knotbomen

Wilg, populier, es, els, eik en haagbeuk kwamen al vóór het begin van onze jaartelling veelvuldig als knotbomen voor. Knotbomen deden dienst als grensafscheiding en/of als houtleverancier. De knotboom levert makkelijk oogstbaar hout op dat voor allerlei doeleinden werd gebruikt. Zoals voor manden, oeverbeschoeiingen, takkenbossen en gebruikshout voor hekken en gereedschapsstelen.
Knotbomen komen vooral voor in de houtwallen. Knotelzen groeien vooral op vochtige en van oorsprong voedselarme gronden. Knotessen en knoteiken kunnen bijzonder oud worden. Oudere knotbomen herbergen allerlei planten en dieren, zoals insecten, vleermuizen en vogels. Het aantal diersoorten dat in een knotboom huist, is zeer groot. Van de vele vogels is de steenuil één van de trouwste bewoners. Een rijtje knotbomen vormt een verbindingsroute voor allerlei dieren, zoals vleermuizen.

De elzensingel

Een elzensingel is een rij met zwarte elzen langs slootkanten. Elzensingels ontstonden spontaan op slootkanten, langs perceels- en eigendomsgrenzen door elzenzaadjes die daar kiemden. De vroegere boeren waren blij met de op hun perceelsranden kiemende boompjes en zaagden ze periodiek af voor brandhout en gebruikshout. Veel singels bevatten naast de zwarte elzen ook een ondergroei van meidoorn of braam, vlier, hop en lijsterbes. Dit zorgde ervoor dat de elzensingel een veekerende functie had. Later werd het elzenhout ook gebruikt in ijzersmelterijen voordat de steenkool het hout verdrong. Veel elzensingels zijn echter verloren gegaan door de ruilverkavelingen en schaalvergroting in de landbouw. ’s Winters maakt de boom door zijn donkere schors en elzenproppen een zwarte indruk, vandaar zijn naam. Sijsjes zijn dol op de zaadjes in de elzenproppen.

De struweelhaag

De Achterhoek kent een grote diversiteit aan lijnvormige landschapselementen, waaronder de struweelhaag. De struweelhaag bestaat uit een enkele rij struiken die vrijuit kunnen groeien. De functie van de haag was perceelsscheiding en veekering. Daarom bestonden de hagen vroeger voornamelijk uit doorndragende soorten, zoals meidoorn, sleedoorn, hondsroos en braam. Soms werden ook nog wat andere struiken en (knot)bomen in de haag aangeplant. Denk hierbij aan wilg, eik of es. De hagen boden beschutting voor het vee en leverden gebruikshout. Door de komst van het prikkeldraad, ruilverkavelingen en schaalvergroting zijn veel van deze elementen verdwenen.
Vaak worden de termen heggen en hagen door elkaar gebruikt, en regionaal hebben ze soms verschillende betekenissen. De term heg gebruiken we voor strak geschoren elementen, de term haag gebruiken we voor de breed en hoog uitgroeiende elementen. Soms is er sprake van speciale beheervormen, zoals het leggen of vlechten van hagen (lees meer hierover verderop in dit artikel).
Hagen zijn soms al honderden jaren oud en zijn daarom van onvervangbare waarde voor planten en dieren. Ze vormen een schuilplaats voor veel vogels en kleine zoogdieren en ze bieden voedsel, nestgelegenheid en een plek om te overwinteren. Ook fungeren ze als verbindingslijnen tussen andere landschapselementen.

De poel

Vroeger legde men vaak poelen in het weiland aan als drinkplaats voor het veel, op plaatsen in het weiland die van nature laag liggen en waar het grondwater hoog zit. Door het gebruik van pompen werden de drinkpoelen overbodig en verdwenen zo langzaam maar zeker uit het landschap. Voor de flora en fauna zijn poelen van grote waarde. Dit geldt vooral voor kikkers, padden salamanders en libellen die zich in de poel voortplanten, maar ook voor vogels en zoogdieren. Zij maken gebruik van het water als drink- of wasplaats. Zwaluwen en watervleermuizen jagen op insecten boven het water. Het water in de poel volgt het natuurlijke ritme van het grondwater; in de zomer kan de poel in extreme gevallen zelfs droog vallen. Voor de meeste dieren en planten van de poel is dit geen probleem. Door deze afwisseling van nat en droog groeien in en rond de poel allerlei oeverplanten. Bij een flauw aflopende oever ontstaat een grote variatie in vochtigheid en kunnen vele plantensoorten hun plek vinden. Een natuurvriendelijke oever is ook zeer interessant voor amfibieën die zich in de oeverzone kunnen verschuilen. In de zomer barst het van het leven in en om de poel.

De hoogstamboomgaard

Al veel eeuwen wordt in Nederland fruit geteeld in hoogstamboomgaarden. Van een hoogstamfruitboom spreek je als de eerste zijtakken van een fruitboom als kers, pruim, peer of appel vanaf 180 centimeter hoogte uit de stam groeien. Aanvankelijk vond je ze vooral bij kloosters, kastelen en landgoederen. Eind 19e eeuw begon een grote uitbreiding aan fruitboomgaarden. Een groot voordeel van het hoogstamfruit is dat dieren er onder kunnen grazen. Vanaf 1950 is het areaal aan hoogstamboogaarden flink achteruitgegaan, vanwege de opkomst van de moderne fruitteelt op laagstam. Hoogstamboomgaarden hebben een grote landschappelijke en ecologische waarde. Ze leveren nestgelegenheid aan allerlei vogels. De steenuil broedt graag in de holle takken van fruitbomen. Van de bloesems profiteren weer bijen. Een meidoornhaag als windsingel om de boomgaard vergroot de natuurwaarde van de boomgaard. Net als een takkenwal en houtstapel biedt het een schuilplaats aan vogels, amfibieën en kleine zoogdieren zoals egels.

Het vogelbosje en geriefhoutbosje

Vogelbosjes kom je vaker tegen op het erf. Een vogelbosje is een bosje dat voornamelijk uit struiken bestaat en vaak niet groter is dan 500 m². De soorten die in het bosje aangeplant worden, zijn vooral besdragende struiken als meidoorn, Gelderse roos en lijsterbes om vogels aan te trekken. Ook zijn ze goed voor insecteneters, want ze trekken wormen, rupsen en kevers aan. Een vogelbosje dient als broedplaats en schuilplaats voor zowel vogels als kleine zoogdieren. Daardoor voegt een vogelbosje veel toe aan de ecologische diversiteit op en rondom het erf. En het geeft de bewoners veel plezier van de kwetterende en langs vliegende vogels.
Geriefhoutbosjes zijn vrij liggende elementen in het landschap. Vaak kom je ze tegen in een overhoekje tussen de weilanden, al dan niet omgeven door een sloot. De sloot deed dan dienst als veekering. Een geriefhoutbosje is groter dan 500 m² en werd vroeger aangeplant om in geriefhout, hout voor dagelijks gebruik van de boer, te voorzien. Elke boer had veel hout nodig: essenhout voor gereedschapsstelen, berkentwijgen voor bezems, wilgenhout voor in de kachel. Doordat een geriefhoutbosje voor de houtvoorziening op eigen erf meestal niet meer van toepassing is, worden tegenwoordig vaak vogelbosjes aangeplant om iets meer variatie te krijgen. Vogel- en geriefhoutbosjes kunnen door de rust die er heerst veel betekenen voor planten en dieren. Ook landschappelijk zijn vogel- en geriefhoutbosjes van groot belang.

Boerenerven 

Traditioneel gebruik: Van oudsher stonden boerderijen en boerenerven in dienst van de agrarische bedrijfsvoering. Alles wat te vinden was op en rond het erf had een functie. Nut ging altijd voor de sier en niets was toevallig. De boerenerven verschillen per regio. De grondsoort en de oorspronkelijke agrarische bedrijfsvoering had grote invloed op de inrichting van het erg en de keuze van bomen en struiken. Maar ook de godsdienst drukte onbewust een stempel op het erf. Katholieke erven stonden vroeger vol bloemen, terwijl in de protestante gebieden van de Achterhoek het erf veel eenvoudiger was ingericht, zonder uitbundige bloemen.

Opbouw van een boerenerf: Ook de taakverdeling tussen de boer en boerin heeft een belangrijke invloed gehad op de traditionele erfinrichting. De taken waren duidelijk verdeeld en daarmee de grond rondom de boerderij ook. De voor- en achterkant worden nog altijd door een denkbeeldige lijn tussen de verschillende gebouwen van elkaar gescheiden. Deze lijn kan globaal over het hele erf  worden doorgetrokken, waardoor de functionele scheiding tussen wonen en werken goed zichtbaar wordt.

Het voor: De vrouw had de verantwoordelijkheid voor het woongedeelte, het daar dichtbij liggende terrein met de bleek, de moestuin, de huisweide, eventueel de siertuin met bloemperken en de boerenboomgaard. Op de boerderij werd dat meestal ‘het voor’ genoemd en ‘het voor’ was het domein van de boerin. Voor deze delen van het boerenerf was een goede zichtbaarheid vanuit het woonhuis vereist, omdat in de boomgaard bijvoorbeeld de jonge kalveren liepen, die extra aandacht nodig hadden. ‘Het voor’ is meestal een stuk groener dan ‘het achter’. Voor staan de meeste bloemen, struiken en bomen. Ook speelde aan de voorkant mee dat men graag wilde laten zien hoe goed men het had. Daarom werden later parkbomen zoals de (treur) beuk, de paardekastanje, de rode beuk, (lei) linden en sierstruiken, kortom de wat luxere soorten, aangeplant. Het voorste deel van het boerenerf was meer gericht op het gezin en had een bepaalde beslotenheid.

Het achter: De man had de verantwoordelijkheid voor de dieren, de wagens, de werktuigen en het bedrijfsgedeelte. Kortom, hij had de zorg voor ‘het achter’. Aan de achterkant moest men ruimte hebben om met paard en wagen te manoeuvreren en later met steeds groter wordende tractors. Achter stonden ook de schuren. De boer was er de hele dag te vinden. Hij hield zich bezig met het bewerken van het land, de verzorging van het vee óf met onderhoud en reparaties aan machines en bedrijfsgebouwen. ‘Achter’ werden de zakelijke contacten met de omgeving afgehandeld, koop en verkoop van zaken vonden vooral daar plaats. Aan de achterkant lag ook de verbinding met de bij het bedrijf behorende percelen.
De beplanting aan de achterkant bestond meestal uit bomen en struiken die ook in de omgeving voorkwamen. Achter op het erf bevond zich het geriefhoutbosje dat diende voor de houtvoorziening. De beplanting achter was hoog, los en afwisselend en bestond uit singelachtige beplantingen. Ook kwamen veel solitaire bomen voor. Verder waren in de weilanden veel poelen aanwezig, die dienden als drinkplaats voor het vee.

Beheer van het landschap

Wie meer wil weten over de aanplant, het beheer en onderhoud van de landschapselementen, kan contact opnemen met de Stichting Landschapsbeheer Gelderland of bekijkt de duidelijke instructiefilmpjes.

Subsidie aanvragen voor agrarisch en particulier natuurbeheer is alleen mogelijk via zogenaamde gebiedscollectieven. Voor de Achterhoek is dit de Vereniging Agrarisch Landschap Achterhoek, de VALA. Het is een samenwerkingsverband van de zes agrarische natuurverenigingen. De VALA wil het karakteristieke landschap van de streek voor de toekomst behouden. De organisatie heeft circa 600 leden in de Achterhoek; dat zijn zowel boeren als particulieren die aan landschapsbeheer en agrarisch natuurbeheer doen.

De Stichting Heg & Landschap streeft naar mooiere heggen en heggenlandschappen in heel Nederland. ,,We willen heggen weer een plek op het platteland geven: een duurzame plek voor de heg die belangrijke rollen vervult. Heggen als ecologische verbindingsstroken. Heggen voor identiteit van streken met kleinschalige, besloten landschappen. Heggen als groene monumenten die verhalen over heggenleiers, landweren, kerkenpaden en omhaagde boomgaarden. Heggen die wandelaars en fietsen langs hun pad geleiden en niet te vergeten heggen die schapen en koeien in de wei houden’’, aldus de landelijke organisatie.

Jaarlijks wordt het NK Heggenvlechten gehouden. Op 19 november 2017 vond dit kampioenschap plaats in Vorden op boerderij Groot Windenberg aan de Rommelderdijk 2. Zo’n 25 heggenvlechters vlochten volgens eeuwenoude traditie een meidoornheg. In de Achterhoek kom je hier en daar in oude heggen nog sporen van oud vlechtwerk tegen. Ruim honderd jaar geleden werd in Amerika het prikkeldraad uitgevonden en werden heggen bijna niet meer gevlochten. De stichting wil het oude ambacht levend houden en geeft een drietal cursussen: Heggenvlechten, Groen erfgoed en Voedselbossen/Natuurlijke landbouw.

Geschiedenis van de Achterhoek

Prehistorie

Op veel plaatsen in de Achterhoek zijn sporen aangetroffen van nederzettingen uit de prehistorie, evenals urnenvelden en grafheuvels uit de Brons- en IJzertijd. Het is onduidelijk of de diverse plaatsen in de loop der eeuwen permanent bewoond zijn gebleven, of dat er sprake is geweest van radicale volksverhuizingen of van vijandigheden.

Uit archeologisch onderzoek blijkt dat de eerste bewoners zich rond 8.800 voor Christus in dit gebied waagden. In een oude afzetting van de Ooijerhoekse Laak bij Zutphen vonden archeologen twee ‘afvalhopen’ van jagers. De oudste dateert van ongeveer 8.650 tot 8.400, de andere van 6.400 voor Christus. In ieder geval is het lang geleden. Uit de afvalhopen bleek dat deze eerste Achterhoekers zich in leven hielden met vlees en vis. Pas rond het begin van onze jaartelling werd de Achterhoek vrij intensief bewoond. Het waren landbouwers die een stuk oerbos kapten en daarop een akkertje aanlegden. Als de grond was uitgeput, werd een ander stuk bos gekapt. Later werden tussen opgehoogde wallen meer permanente akkers aangelegd, raatakkers geheten (ook wel celtic fields genoemd). Ze werden gebruikt voor de verbouw van primitieve graansoorten als emmertarwe en spelt. De sporen van raatakkers zijn nog op verscheide plaatsen in de Achterhoek te vinden en zijn vooral aangetroffen op de zandgronden.

Namen van volken, waarvan wordt aangenomen dat ze de Achterhoek hebben bewoond, zijn in chronologische volgorde de Bructeren en Chamaven (Germaanse stammen, later gerekend tot de Franken) en na de Grote Volksverhuizing (tussen 4e en 6e eeuw) de Saksen.

Kerstening

Het beter bereikbare Zutphen, in het uiterste noordwesten van de Achterhoek, wordt al beschreven in de Romeinse tijd (753 voor Christus tot 476 na Christus). De rest van de Achterhoek komt in geschriften voor vanaf de periode van zijn kerstening, ingezet in het laatste decennium van de 8ste eeuw. De kerstening vond vanuit het oosten plaats. Landsgrenzen bestonden nog niet en geologisch maakte de oostelijke Achterhoek deel uit van het aangrenzende Münsterland. Doetinchem wordt in 838 voor het eerst genoemd.

Nadat keizer Karel de Grote de Saksische hertog Widukind definitief had verslagen, eiste hij van hem en zijn onderdanen de bekering tot het christendom. Zo kreeg de Friese missionaris Liudger de opdracht om onder andere de heidense Saksen in de Achterhoek te bekeren. Hij heeft parochies gesticht in Groenlo, Wichmond, Winterswijk en Zelhem. Liudger werd later de eerste bisschop van Münster.

Middeleeuwen en de vroegmoderne tijd

In de Middeleeuwen heeft zich in de Achterhoek een feodale maatschappij ontwikkeld. Het grootste deel van de Achterhoek werd onderdeel van het graafschap Zutphen. De in het noordoosten gelegen heerlijkheid Borculo was lange tijd een zelfstandig staatje, maar werd later betwist door de hertogen van Gelre en de bisschoppen van Münster.

Bisschop Bernard von Galen, bijnaam Bommen Berend, heeft ook na de Vrede van Münster in 1648 met militaire acties geprobeerd de heerlijkheid tot zijn gebied te maken. Borculo behoorde immers niet tot het hertogdom Gelre en daarover stond dus niets in dat verdrag. Het is hem niet gelukt. De bisschop wist wel Groenlo, de heerlijkheid Bredevoort en de heerlijkheid Lichtenvoorde in te nemen. De bezetting duurde bijna twee jaar en in mei van het jaar 1674 trokken de Münsterse troepen weer weg uit de Achterhoek.

Plaatsen als Bronkhorst, Doesburg, Doetinchem, Terborg en Zutphen kregen al vroeg stadsrechten. In het gebied bevindt zich een aantal kastelen van met name de adellijke families Bronkhorst en Van Heeckeren. De Achterhoek kende dan ook tot in de 19e eeuw een feodale structuur. De families vochten een verwoede machtsstrijd uit, met name tijdens de Gelderse Successieoorlogen (1371-1379 en 1423-1448). Ook tijdens de Gelderse Oorlogen (1502-1543) en de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) werd in het gebied regelmatig strijd geleverd. Onder andere om het Huis Bergh, Kasteel Keppel en de steden Bredevoort en Groenlo is stevig gevochten.

Industrialisatie

In een groot deel van de Achterhoek was tot in de 19e eeuw kleinschalige landbouw de voornaamste bron van bestaan. De buurtschappen, dorpen en steden hadden hooguit een paar honderd inwoners. Ze bezaten vaak gezamenlijk enkele esgronden (hoog gelegen akkers) en heidevelden in de buurt van de nederzetting. De rest van de gronden was nog woest, met name de lagere delen. Pas in het begin van de 20ste eeuw is de Achterhoek grootschalig ontgonnen. Lange tijd heeft men veel bos in de Achterhoek gekapt ten behoeve van de houtindustrie. Eind jaren veertig van de 20ste eeuw kwam hieraan een einde.

De industrialisatie heeft voornamelijk in twee delen van de Achterhoek plaatsgehad: in een strook langs de Oude IJssel en in de oostelijke Achterhoek. Dankzij de oerhoudende grond aan weerszijden van de Oude IJssel ontstond vroeg in de 18e eeuw een ijzerindustrie rond de plaatsen Ulft, Terborg, Doetinchem en Keppel. Overal doken ijzergieterijen op, de voorlopers van de vele metaalbedrijven (die zich inmiddels transformeren tot smart industry). Deze bedrijven zorgden voor veel werkgelegenheid. Bekende namen van Achterhoekse oorsprong zijn DRU, Pelgrim, Becking en Bongers, Lovink, Atag en Vulcanus.

In de oostelijke Achterhoek, in Aalten, Bredevoort, Neede en Winterswijk, is de textielindustrie tot grote bloei gekomen, evenals in het aangrenzende Twente. Door de groeiende concurrentie uit het buitenland, met name uit de lagelonenlanden, bleek een groot deel van de textielindustrie na de Tweede Wereldoorlog niet langer levensvatbaar. Voor de textielindustrie zijn in de tweede helft van de 19e eeuw spoorlijnen aangelegd, die dit deel van de Achterhoek verbonden met Arnhem, Zutphen, Twente en Duitsland. Verschillende plaatsen werden aangesloten op het spoorwegnet van de Nederlands-Westfaalsche Spoorweg (NWS) en de GOLS, de Geldersch-Overijsselsche Lokaalspoorweg-Maatschappij. Oprichter van de GOLS was de Winterswijkse textielfabrikant Jan Willink. Al in 1878 bracht hij de spoorweg tussen Borken-Winterswijk-Zutphen tot stand.

De rest van de Achterhoek werd begin 20ste eeuw ontsloten door middel van de goedkopere trambanen na de oprichting van de Gelderse Tramwegen, de GTW. Hierdoor werd het gebied langzaam toegankelijker en nam naast de traditionele agrarische sector de industriële werkgelegenheid toe, alsook de recreatieve voorzieningen. Na de Tweede Wereldoorlog is de welvaart gestaag toegenomen en kwam het toerisme in de Achterhoek op gang. Tegenwoordig maakt de Stichting Achterhoek Toerisme promotie voor de streek, samen met Regio Achterhoek, de Provincie Gelderland en de VVV. De site geeft een positief beeld van de streek ‘waar veel te beleven is en waar het aantrekkelijk wonen, werken en recreëren is’.

Namen leven voort

In het heden ligt het verleden, zeggen ze altijd. Enkele namen en personages uit de in vogelvlucht beschreven historie van de Achterhoek leven voort. Een kort overzicht.

In Keppel ligt de jachthaven Bommen Berend, genoemd naar Bernhard van Galen, de bisschop uit Münster die een belangrijke rol speelde in de 17e eeuw in de Achterhoek. De bisschop werd (en wordt) in de volksmond Bommen Berend genoemd vanwege het veelvuldige gebruik van door kanonnen afgeschoten bommen, voor die tijd het modernste wapentuig waarmee aanzienlijke schade werd aangericht binnen de stadsmuren. Overigens heeft hij ook in Groningen z’n stempel behoorlijk op de geschiedenis gedrukt. Met het Gronings Ontzet – ook Achtentwintigsten en Bommen Berend genoemd –  wordt elk jaar gevierd dat de stad Groningen in het rampjaar 1672 het beleg door Bernhard van Galen heeft doorstaan.

Eetgalerij De Heerlyckheid, zo heet de luxe lunchroom in het centrum van het stadje Bredevoort. Bisschop Bernhard von Galen ofwel Bommen Berend, wist in de 17e eeuw de heerlijkheid Bredevoort in te nemen. Een heerlijkheid was in die tijd een gebied van een heer, een bezit waaraan een titel en sommige rechten verbonden waren. En is nu dus de naam van een horecabedrijf.

In vestingstadje Groenlo wordt elk jaar de Slag om Grolle uit het jaar 1627 nagespeeld. Nagebootst wordt de overwinning van het Staatse leger onder bevel van Frederik Hendrik op de Spanjaarden tijdens de Tachtigjarige Oorlog. In het hart van Groenlo staat Het Huys van Frederik Hendrik, waar je in een gemoedelijke sfeer en met een vleugje historie kunt dineren. 

Het stadje Bronkhorst heeft zijn naam van de Heren van Bronkhorst, een van de machtigste geslachten in de Achterhoek en hun Slot Bronkhorst. Zij voerden een machtsstrijd uit met de Van Heeckerens. In het buitengebied van Hummelo staat Het Wapen van Heeckeren, het monumentale café-restaurant met een rijke geschiedenis.

In Lengel, een dorpje in de gemeente Montferland, ligt de Chamavenstraat, genoemd naar een van de Germaanse stammen die in de Achterhoek leefden. De Oude Tramweg in het buitengebied van Lengel herinnert aan de tramweg Zutphen-Emmerik die door dit dorp liep.

Missionarius Liudger moest in de 8ste eeuw de heidense Saksen bekeren. Zijn naam vinden we op verschillende plekken in de Achterhoek terug. In 2009, bij de 1.200ste sterfdag van Ludger, is aan de IJssel langs de weg van Baak naar Zutphen een stalen gedenkteken van Ludger opgericht. Het herinnert aan de oversteek van de IJssel door Ludger vanuit Brummen in 794 als begin van de periode waarin hij actief is geweest in de Achterhoek en in het aangrenzende deel van Duitsland tot aan Münster.

Ludger wordt enkele keren genoemd in oude oorkonden, zoals in een Zelhemse akte uit 801 waarin de naam Salehem (Zelhem) is genoemd. Daarop baseerde Zelhem in 2001 de viering van zijn 1.200-jarig bestaan. Op de plek van de huidige Lambertikerk in het dorp, heeft ooit een door Ludger gebouwd kerkje gestaan. De replica bij Museum Smedekinck herinnert daaraan.

In sommige plaatsen zijn straten naar Ludger genoemd of herinneren ze aan de geschiedenis van het bisdom. De nieuwe grote Sint Ludgerparochie is die van Aalten-Groenlo-Lichtenvoorde en omstreken. Het Ludgerpad van Zutphen naar Aalten schijnt erg in trek te zijn. In Doetinchem staat de middelbare school Het Ludger College, in Varsseveld de St. Ludgerusschool voor speciaal basisonderwijs. Een heel klein stukje van zijn gebeente, een reliek, zit in een reliekhouder die bewaard wordt in de Willibrorduskerk in Vierakker. De Ludgerkring Oost Gelderland houdt de herinnering aan de missionaris levend.

Wandelen en fietsen in de Achterhoek

De Achterhoek is een prachtig wandel- en fietsgebied, een streek met bossen, landgoederen kastelen, kleine rivieren, pittoreske dorpjes of fraaie historische stadjes. Het kleinschalige en vriendelijke karakter maakt de streek een ideale plek om op verhaal te komen. Het coulissenlandschap biedt doorkijkjes naar authentieke boerderijen, de glooiende heuvels leveren mooie vergezichten op. Het landschap is afwisselend, de bewoners zijn gemoedelijk. En de bezoekers waarderen de rust en ruimte van de streek.

Wandel- en fietsroutes

Tientallen wandel- en fietsroutes zijn uitgezet door de Stichting Achterhoek Toerisme. Want nergens is het decor zo veelzijdig als in de Achterhoek, luidt de wervende tekst van het promotiebureau. ,,Overal word je gastvrij onthaald. Je komt langs idyllische theetuinen en ambachtelijke ijsboerderijen. Boerderijwinkels verkopen de lekkerste streekproducten voor onderweg. Langs de kant van de weg zie je manden met fruit waar je tegen wat kleingeld zelf het fruit kunt pakken. En als je geluk hebt, ontdek je een gedekt tafeltje met een goedgevulde picknickmand waar je ook weer tegen een zelfgekozen bijdrage van mag genieten. Dit is geen sprookje, dit is de Achterhoek.’’ En laat dit nou nog kloppen ook!

Maar liefst 3000 kilometer aan bewegwijzerde wandelroutes nodigen uit om de Achterhoek te verkennen. Dat kan via een wandelknooppuntensysteem met 150 startpunten. Vanuit een startpunt kun je een kant-en-klare route volgen. Onderweg kom je keuzepunten tegen, te herkennen aan een paal met een gekleurd bord met een letter en nummer erop. Op de keuzepunten kun je overstappen op een andere wandelroute. Om nog meer wandelmogelijkheden te creëren zijn er grijze routes aangelegd. Dit zijn verbindingen tussen twee wandelroutes. Het  netwerk maakt het gemakkelijk om ook zelf een route samen te stellen. Naast de markering op de keuzepuntenpaaltjes is er een wandelkaart die in vier deelkaarten te koop is bij alle VVV’s en Toeristische Informatiepunten in de Achterhoek.

Klompenpaden

Klompenpaden zijn gemarkeerde wandelroutes over onverharde paden door het boerenland, over landgoederen en historische tracés in de provincies Utrecht en Gelderland. In totaal zijn er meer dan 100 klompenpaden. In de Achterhoek zijn dat de volgende routes:

Het Boereneschpad is een wandeling in het gebied tussen Geesteren, Gelselaar en Noordijk met landgoed Hilhorst in het hart van de route in de gemeente Berkelland. Hier wandel je over de eeuwenoude es, langs landgoederen en beken en door de prachtige natuur van het Noordijkerveld. Eén van de hoogtepunten is de doorwaadbare plaats in de Schipbeek. Hier kun je een moderne boomtuin bezoeken. Via een open wenteltrap die langs de stam van een circa 250 jaar oude eik omhoog gaat, kom je op een plateau waarop een boomtuin met varens en mossen is aangelegd. Er loopt een klein paadje naar een bankje waar je kunt uitrusten van de wandeling. Door de bladeren van de boom heb je een mooi uitzicht over het landschap en de Schipbeek. Een sprookjesachtige tuin voor twee. De hoofdroute van 12 km is op meerdere punten te verlengen tot ruim 20 km.
Het Boereneschpad is in 2017 door de ANWB geselecteerd als één van de tien pareltjes van het Klompenpadennetwerk. De folder met uitgebreide informatie over de route is o.a. te koop bij VVV- en TIP-kantoren en bij Erve Brooks, een horecabedrijf in een vijf eeuwen oude Saksische boerderij in Gelselaar. Ook zijn de wandelroutes te downloaden via de gratis app. In de app zijn informatie en filmpjes beschikbaar over verschillende punten van de route.  Zo kom je meer te weten over de cultuurhistorie en het landschap.

 Andere mooie klompenpaden in de Achterhoek zijn het Ganderpad (13 km) langs de Oude IJssel en over rivierduinen rondom het dorp Gaanderen; het Leestensche Broekpad (11 km) langs de IJssel en door het buitengebied van Zutphen; en het Achterwooldsepad (10 km) door het coulissenlandschap van de buurtschap Woold bij Winterswijk.

Nog meer wandelingen

Ook het Pieterpad loopt dwars door de streek. Van Vorden naar Montferland. Maar er zijn veel meer initiatieven, teveel om allemaal op te noemen. Vooruit, ééntje dan: ‘Kuieren, kijken en kieken in de Achterhoek’ van gepassioneerd wandelaar en fotograaf Truus Wijnen. In dit boekje beschrijft zij vijftien kuierroutes in dit deel van Nederland en de grensstreek. De routes gaan over fraaie landgoederen, langs geheimzinnige zwarte en witte kolken, langs historische watermolens en oude vestingstadjes als Bredevoort. De wandelingen variëren in afstand van 3 tot 10 kilometer. De beschrijvingen zijn voorzien van routekaartjes en adressen van horecagelegenheden. De belangrijkste bezienswaardigheden onderweg worden ook beschreven. De wandelaar maakt op deze manier ook kennis met de traditionele en regionale activiteiten als klootschieten, touwtrekken en biljarten.

En nóg ééntje: ‘Bergherbos. Een cultuurhistorische wandeling’ van 13,5 kilometer. Zoals de naam al zegt, ligt de nadruk op de cultuurhistorie. Deze erfgoedroute voert langs de geschiedenis en het natuurschoon van de Berghse bossen in de gemeente Montferland. De route start bij de waterpartijen van ’t Peeske, al lange tijd een toeristische trekpleister in de omgeving van het Bergherbos. De wandeling leidt langs lanen en ijzerkuilen en langs een van de meest markante historische elementen uit de omgeving, de motte Montferland. Dit is de grootste motte ofwel kasteelheuvel van Nederland. Het boekje maakt deel uit van de reeks Cultuurhistorische routes in Nederland.
Meer wandelingen en fietstochten vind je onder de gemeenten op de site van Natuurlijk Achterhoek.

In groepsverband

Wandelen en fietsen in georganiseerd verband is er jaarlijks met de Achterhoekse Wandel4daagse in mei. Duizenden deelnemers verzamelen zich in Doetinchem om routes van ca 12, 20, 30 en 40 kilometer door de mooiste delen van de Achterhoek te wandelen. Of de Achterhoekse Fiets4daagse in de maand augustus, die ook een stukje Twente meepakt. De tocht start in Laren en biedt routes van 30, 45 en 60 kilometer.

Beste Fietsregio

In 2012 werd de Achterhoek uitgeroepen tot ‘Beste Fietsregio van Nederland’ door het landelijke Fietsplatform. Vooral de toegankelijkheid, de kwaliteit van de routes en het onderhoud aan de bewegwijzering scoorden hoog in de kwaliteitsmonitor. De Achterhoek heeft in totaal 362 kilometer aan fietsmogelijkheden met 302 knooppunten. Het Fietsplatform is een onafhankelijke stichting. In het bestuur zitten onder andere de Fietsersbond, de ANWB en de provincies.

Smartbikes met wifi

In de zomer van 2018 start een proef waardoor toeristen gebruik kunnen maken van deelfietsen in de Achterhoek. De in eerste instantie 80 deelfietsen – zogenaamde smart-bikes met wifi – worden onder meer neergezet op de stations in Ruurlo, Lievelde en Winterswijk. Als de proef slaagt, wordt het project uitgebreid in de hele Achterhoek. Voordeel van een deelfiets is dat de fietser per rit betaalt en de fiets kan achterlaten op één van de deelpunten. Behalve op de drie stations zijn ook deelfietsen te huren bij vier grote recreatieondernemers: Marveld in Groenlo; Strandlodge, Vreehorst en De Twee Bruggen in Winterswijk; en de Heikamp in Ruurlo. De vier zijn samen met Hotel Villa Ruimzicht in Doetinchem initiatiefnemer van het project, evenals elf Achterhoekse gemeenten, de Provincie Gelderland en ov-bedrijf Arriva.
Behalve in deelfietsen voorziet de proef ook in een website en een app, waarop alle informatie over recreëren in de Achterhoek te vinden is. Met een pasje kan een fiets van het slot worden gehaald. Reserveren kan ook met een pasje, met de app of telefonisch.