Geschiedenis

Geschiedenis van de Achterhoek

Prehistorie

Op veel plaatsen in de Achterhoek zijn sporen aangetroffen van nederzettingen uit de prehistorie, evenals urnenvelden en grafheuvels uit de brons- en ijzertijd. Het is onduidelijk of de diverse plaatsen in de loop der eeuwen permanent bewoond zijn gebleven, of dat er sprake is geweest van radicale volksverhuizingen of van vijandigheden.

Uit archeologisch onderzoek blijkt dat de eerste bewoners zich rond 8.800 voor Christus in dit gebied waagden. In een oude afzetting van de Ooijerhoekse Laak bij Zutphen vonden archeologen twee ‘afvalhopen’ van jagers. De oudste dateert van ongeveer 8.650 tot 8.400, de andere van 6.400 voor Christus. In ieder geval is het lang geleden. Uit de afvalhopen bleek dat deze eerste Achterhoekers zich in leven hielden met vlees en vis. Pas rond het begin van onze jaartelling werd de Achterhoek vrij intensief bewoond. Het waren landbouwers die een stuk oerbos kapten en daarop een akkertje aanlegden. Als de grond was uitgeput, werd een ander stuk bos gekapt. Later werden tussen opgehoogde wallen meer permanente akkers aangelegd, raatakkers geheten (ook wel celtic fields genoemd). Ze werden gebruikt voor de verbouw van primitieve graansoorten als emmertarwe en spelt. De sporen van raatakkers zijn nog op verscheide plaatsen in de Achterhoek te vinden en zijn vooral aangetroffen op de zandgronden.

Namen van volken, waarvan wordt aangenomen dat ze de Achterhoek hebben bewoond, zijn in chronologische volgorde: de Bructeren en Chamaven (Germaanse stammen, later gerekend tot de Franken) en na de Grote Volksverhuizing (tussen 4e en 6e eeuw) de Saksen.

Kerstening

Het beter bereikbare Zutphen, in het uiterste noordwesten van de Achterhoek, wordt al beschreven in de Romeinse tijd (753 voor Christus tot 476 na Christus). De rest van de Achterhoek komt in geschriften voor vanaf de periode van zijn kerstening, ingezet in het laatste decennium van de 8ste eeuw. De kerstening vond vanuit het oosten plaats. Landsgrenzen bestonden nog niet en geologisch maakte de oostelijke Achterhoek deel uit van het aangrenzende Münsterland. Doetinchem wordt in 838 voor het eerst genoemd.

Nadat keizer Karel de Grote de Saksische hertog Widukind definitief had verslagen, eiste hij van hem en zijn onderdanen de bekering tot het christendom. Zo kreeg de Friese missionaris Liudger de opdracht om onder andere de heidense Saksen in de Achterhoek te bekeren. Hij heeft parochies gesticht in Groenlo, Wichmond, Winterswijk en Zelhem. Liudger werd later de eerste bisschop van Münster.

Middeleeuwen en de vroegmoderne tijd

In de Middeleeuwen heeft zich in de Achterhoek een feodale maatschappij ontwikkeld. Het grootste deel van de Achterhoek werd onderdeel van het graafschap Zutphen. De in het noordoosten gelegen heerlijkheid Borculo was lange tijd een zelfstandig staatje, maar werd later betwist door de hertogen van Gelre en de bisschoppen van Münster.

Bisschop Bernard von Galen, bijnaam Bommen Berend, heeft ook na de Vrede van Münster in 1648 met militaire acties geprobeerd de heerlijkheid tot zijn gebied te maken. Borculo behoorde immers niet tot het hertogdom Gelre en daarover stond dus niets in dat verdrag. Het is hem niet gelukt. De bisschop wist wel Groenlo, de heerlijkheid Bredevoort en de heerlijkheid Lichtenvoorde in te nemen. De bezetting duurde bijna twee jaar en in mei van het jaar 1674 trokken de Münsterse troepen weer weg uit de Achterhoek. (Een heerlijkheid was een gebied waar een adellijk heer de scepter zwaaide. In 1818, drie jaar na de start van het Koninkrijk der Nederlanden, moesten alle heerlijkheden gemeenten worden).

Plaatsen als Bronkhorst, Doesburg, Doetinchem, Terborg en Zutphen kregen al vroeg stadsrechten. In het gebied bevindt zich een aantal kastelen van met name de adellijke families Bronkhorst en Van Heeckeren. De Achterhoek kende dan ook tot in de 19e eeuw een feodale structuur. De families vochten een verwoede machtsstrijd uit, met name tijdens de Gelderse Successieoorlogen (1371-1379 en 1423-1448). Ook tijdens de Gelderse Oorlogen (1502-1543) en de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) werd in het gebied regelmatig strijd geleverd. Onder andere om het Huis Bergh, Kasteel Keppel en de steden Bredevoort en Groenlo is stevig gevochten.

Natuurlijk Achterhoek

Kasteel Keppel.

Industrialisatie

In een groot deel van de Achterhoek was tot in de 19e eeuw kleinschalige landbouw de voornaamste bron van bestaan. De buurtschappen, dorpen en steden hadden hooguit een paar honderd inwoners. Ze bezaten vaak gezamenlijk enkele esgronden (hoog gelegen akkers) en heidevelden in de buurt van de nederzetting. De rest van de gronden was nog woest, met name de lagere delen. Pas in het begin van de 20ste eeuw is de Achterhoek grootschalig ontgonnen. Lange tijd heeft men veel bos in de Achterhoek gekapt ten behoeve van de houtindustrie. Eind jaren veertig van de 20ste eeuw kwam hieraan een einde.

De industrialisatie heeft voornamelijk in twee delen van de Achterhoek plaatsgehad: in een strook langs de Oude IJssel en in de oostelijke Achterhoek. Dankzij de oerhoudende grond aan weerszijden van de Oude IJssel ontstond vroeg in de 18e eeuw een ijzerindustrie rond de plaatsen Ulft, Terborg, Doetinchem en Keppel. Overal doken ijzergieterijen op, de voorlopers van de vele metaalbedrijven (die zich inmiddels transformeren tot smart industry). Deze bedrijven zorgden voor veel werkgelegenheid. Bekende namen van Achterhoekse oorsprong zijn DRU, Pelgrim, Becking en Bongers, Lovink, Atag en Vulcanus.

Natuurlijk Achterhoek

Het terrein van de voormalige ijzergieterij de DRU in Ulft

In de oostelijke Achterhoek, in Aalten, Bredevoort, Neede en Winterswijk, is de textielindustrie tot grote bloei gekomen, evenals in het aangrenzende Twente. Door de groeiende concurrentie uit het buitenland, met name uit de lagelonenlanden, bleek een groot deel van de textielindustrie na de Tweede Wereldoorlog niet langer levensvatbaar. Voor de textielindustrie zijn in de tweede helft van de 19e eeuw spoorlijnen aangelegd, die dit deel van de Achterhoek verbonden met Arnhem, Zutphen, Twente en Duitsland. Verschillende plaatsen werden aangesloten op het spoorwegnet van de Nederlands-Westfaalsche Spoorweg (NWS) en de GOLS, de Geldersch-Overijsselsche Lokaalspoorweg-Maatschappij. Oprichter van de GOLS was de Winterswijkse textielfabrikant Jan Willink. Al in 1878 bracht hij de spoorweg tussen Borken-Winterswijk-Zutphen tot stand.

De rest van de Achterhoek werd begin 20ste eeuw ontsloten door middel van de goedkopere trambanen na de oprichting van de Gelderse Tramwegen, de GTW. Hierdoor werd het gebied langzaam toegankelijker en nam naast de traditionele agrarische sector de industriële werkgelegenheid toe, alsook de recreatieve voorzieningen. Na de Tweede Wereldoorlog is de welvaart gestaag toegenomen en kwam het toerisme in de Achterhoek op gang. Tegenwoordig maakt de Stichting Achterhoek Toerisme promotie voor de streek De site geeft een positief beeld van de streek ‘waar veel te beleven is en waar het aantrekkelijk wonen, werken en recreëren is’.

Natuurlijk Achterhoek

Het spoor in Terborg.

Namen leven voort

In het heden ligt het verleden, zeggen ze altijd. Enkele namen en personages uit de in vogelvlucht beschreven historie van de Achterhoek leven voort. Een kort overzicht.

In Keppel ligt de jachthaven Bommen Berend, genoemd naar Bernhard van Galen, de bisschop uit Münster die een belangrijke rol speelde in de 17e eeuw in de Achterhoek. De bisschop werd (en wordt) in de volksmond Bommen Berend genoemd vanwege het veelvuldige gebruik van door kanonnen afgeschoten bommen, voor die tijd het modernste wapentuig waarmee aanzienlijke schade werd aangericht binnen de stadsmuren. Overigens heeft hij ook in Groningen z’n stempel behoorlijk op de geschiedenis gedrukt. Met het Gronings Ontzet – ook Achtentwintigsten en Bommen Berend genoemd –  wordt elk jaar gevierd dat de stad Groningen in het rampjaar 1672 het beleg door Bernhard van Galen heeft doorstaan.

De Heerlyckheid, zo heet het hotel met brasserie en friterie middenin het stadje Bredevoort. Bisschop Bernhard von Galen ofwel Bommen Berend, wist in de 17e eeuw de heerlijkheid Bredevoort in te nemen. Een heerlijkheid was in die tijd een gebied van een heer, een bezit waaraan een titel en sommige rechten verbonden waren. En is nu dus de naam van een horecabedrijf in het monumentale Bernardusgebouw.Het vestingstadje zelf promoot zich tegenwoordig ook als Heerlijckheid Bredevoort.

In vestingstadje Groenlo wordt om het jaar de Slag om Grolle uit het jaar 1627 nagespeeld. Nagebootst wordt de overwinning van het Staatse leger onder bevel van Frederik Hendrik op de Spanjaarden tijdens de Tachtigjarige Oorlog. In het hart van Groenlo staat Het Huys van Frederik Hendrik, waar je in een gemoedelijke sfeer en met een vleugje historie kunt dineren.  Bij Erve Kots in Lievelde, op de plaats waar prins Frederik Hendrik zijn hoofdkwartier oprichtte, brouwen ze enkele bieren met zijn naam.

Natuurlijk Achterhoek

De slag in beeld aan de gracht in Groenlo.

Het stadje Bronkhorst heeft zijn naam van de Heren van Bronkhorst, een van de machtigste geslachten in de Achterhoek en hun Slot Bronkhorst (waarvan nu alleen nog de slotheuvel met een ijzeren maquette te zien is). Zij voerden een machtsstrijd uit met de Van Heeckerens. In het buitengebied van Hummelo staat Het Wapen van Heeckeren, het monumentale café-restaurant met een rijke geschiedenis.

In Lengel, een dorpje in de gemeente Montferland, ligt de Chamavenstraat, genoemd naar een van de Germaanse stammen die in de Achterhoek leefden. De Oude Tramweg in Lengel herinnert aan de tramweg Zutphen-Emmerik die door dit dorp liep.

Missionaris Liudger moest in de 8ste eeuw de heidense Saksen bekeren. Zijn naam vinden we op verschillende plekken in de Achterhoek terug. In 2009, bij de 1.200ste sterfdag van Ludger, is aan de IJssel langs de weg van Baak naar Zutphen een stalen gedenkteken van Ludger opgericht. Het herinnert aan de oversteek van de IJssel door Ludger vanuit Brummen in 794 als begin van de periode waarin hij actief is geweest in de Achterhoek en in het aangrenzende deel van Duitsland tot aan Münster.

Ludger wordt enkele keren genoemd in oude oorkonden, zoals in een Zelhemse akte uit 801 waarin de naam Salehem (Zelhem) is genoemd. Daarop baseerde Zelhem in 2001 de viering van zijn 1.200-jarig bestaan. Op de plek van de huidige Lambertikerk in het dorp, heeft ooit een door Ludger gebouwd kerkje gestaan. De replica bij Museum Smedekinck herinnert daaraan.

In sommige plaatsen zijn straten naar Ludger genoemd of herinneren ze aan de geschiedenis van het bisdom. De nieuwe grote Sint Ludgerparochie is die van Aalten-Groenlo-Lichtenvoorde en omstreken. Het Ludgerpad van Zutphen naar Winterswijk schijnt erg in trek te zijn. In Doetinchem stond decennialang het Ludger College. En zo zijn er nog meer scholen die zijn naam dragen. Een heel klein stukje van zijn gebeente, een reliek, zit in een reliekhouder die bewaard wordt in de Willibrorduskerk in Vierakker. De LudgerKring houdt de herinnering aan de missionaris levend.